Vandaag (19-05-2009) zag ik in de treinkrant een hele sterke lezersbrief waarvan ik de inhoud graag met u zou willen delen. De strekking is als volgt:
“Als een vrouw zich aanmeldt voor een damesvoetbalteam en in de kleedkamer blijkt dat het een man is die zich heeft verkleed als een vrouw, mag deze persoon dan deel uit blijven maken van het team?
Als een persoon wordt aangeworven voor een anti-discriminatiebureau en naderhand blijkt dat deze persoon een neo-nazi te zijn, die openlijk zijn ideeën verspreid, kan men hem dan handhaven in deze functie?
Als iemand op een orthodox-Christelijke basisschool komt te werken als leerkracht en het blijkt later dat deze een homosexueel is, is het dan niet logisch dat het schoolbestuur de werkrelatie met deze persoon wenst te beëindigen?”
Volgens de Minister van Homo-zaken (en Onderwijs, alhoewel de twee tegenwoordig een sterke overlap lijken te kennen) Ronald Plasterk mogen homosexuelen niet worden ontslagen omwille van ‘hun geaardheid’, ook niet als dat in strijd is met de grondslagen van de school. Hij roept daarbij op om scholen voor de rechter te dagen, de vakbonden en het COC er op af te sturen of de Commissie Gelijke Behandeling een uitspraak te laten doen.
De gelijkheidsmaffia, die zijn oorsprong vindt in de amendering van Artikel 1 van de Grondwet door de Communistische Partij Nederland in 1983, heeft onze morele kaders in de wetgeving overhoop gehaald en belangrijke instituties omver geworpen: het burgerschap is opengesteld voor jan en alleman -ook Somalische piraten-, het huwelijk is ook uitgekleed door allerlei hybride samenlevingsverbanden, en burgers hebben geen vrijheid meer van associatie.
Op grond van de ‘heilige drie gelijkheidsdogma’s’ (anti-discriminatie, anti-racisme en anti-fascisme) is iedere vorm van exclusieve zelforganisatie, zoals gezinsvorming, thuisscholing en zelfmedicatie verdacht en dient het uit te worden gebannen, terwijl ’solidariteit’ verplicht is: collectief onderwijs, collectieve gezondheidszorg en collectieve kinderopvoeding. Scheiding tussen kerk en staat is noodzaak, maar scheiding tussen staat en samenleving is niet mogelijk.
Ik walg steeds meer van deze overheid die op alle vlakken van de samenleving doordringt achter de voordeur van mensen. Als een opdringerige Jehova’s getuige duwt deze geweldsmonopolist mijn waarden achter de voordeur, terwijl hijzelf met een voet tussen de deur zich toegang denkt te kunnen verschaffen tot mijn privé-domein. Deze overheid is nog net geen dief (alhoewel hij mijn maandsalaris halveert), maar pleegt huisvredebreuk door zijn gelijkheidsmanie.
Zodoende is deze samenleving verworden tot een rariteitenkabinet, waar allerlei abnormaliteiten -zoals homosexualiteit en straatterroristen- de publieke ruimte krijgen van de overheid en de nette burgers zich dienen terug te trekken achter de voordeuren. Onze stadsparken zijn verworden tot ‘cruisegebieden‘ en onze straten worden beheerst door jeugdbendes in plaats van de politie, maar de overheid kent slechts één gebod om de burger het zwijgen op te leggen:
Gij zult niet discrimineren!